Mossteek breien: zo doe je het stap voor stap

De mossteek breien doe je door afwisselend rechte en averechtse steken te maken over een oneven aantal steken, waarbij je het patroon elke naald verspringt. Het resultaat is een stevig, luchtig oppervlak met een mooie gestructureerde uitstraling aan beide kanten van het breiwerk. Dat maakt de mossteek een van de meest veelzijdige basissteken in het breien.

Wat je nodig hebt voor de mossteek

Je hebt gewoon breimateriaal nodig: een bol wol en passende breinaalden. Zet altijd een oneven aantal steken op. Voor een proeflapje is 31 steken een handige keuze, zo heb je genoeg breedte om het patroon goed te zien. Met een even aantal steken klopt het patroon niet, dus dat is het belangrijkste om op te letten voordat je begint.

De mossteek werkt goed met alle soorten garen, van dunne katoen tot dikke bouclé. Dikkere garens maken de structuur extra zichtbaar. Wil je oefenen? Gebruik dan een garen in een middeldikke dikte (DK of Aran), dat is het makkelijkst om mee te starten.

Mossteek breien: het patroon stap voor stap

Het patroon bestaat uit twee naalden die je steeds herhaalt:

  • Naald 1 en naald 2: Begin met 1 rechte steek, daarna wissel je af: 1 averechts, 1 recht, enzovoort tot het einde van de naald. Je eindigt op een averechts steek.
  • Naald 3 en naald 4: Begin met 1 averechts, dan 1 recht, 1 averechts, en ga zo verder. Je eindigt op een rechte steek.

Deze vier naalden samen vormen één herhaling. Het verschil met het ribbelpatroon (ook wel 1×1 ribbel) is de verspringen: bij de mossteek zet je de steken nooit boven elkaar, maar altijd naast de vorige rij. Dat geeft het karakteristieke korrelige oppervlak.

Controleer aan het einde van elke naald of je patroon klopt door te kijken of de rechte steken boven de averechts steken van de vorige naald vallen. Zie je dat de steken netjes verspringen? Dan zit je goed.

Veelgemaakte fouten bij de mossteek

De grootste valkuil is beginnen met een even aantal steken. Dan verspringt het patroon niet, maar valt elke steek precies boven de steek van de vorige naald. Dat levert geen mossteek op, maar een ribbelpatroon. Even naaltellen voor je begint, scheelt later veel frustratie.

Een andere veelgemaakte fout is vergeten welke naald je bezig bent. Houd bij of je op naald 1 of naald 3 zit, zeker als je even stopt. Leg desnoods een stiksel of patroonmarkeerder in je werk. Ga je toch fout? Haal rustig één naald terug en begin die rij opnieuw. De mossteek is bij fouten gemakkelijker te herstellen dan ingewikkeldere patronen.

Waar gebruik je de mossteek voor?

De mossteek is aan beide kanten hetzelfde, wat hem ideaal maakt voor sjaals, deken randen en andere projecten waarbij de achterkant ook zichtbaar is. Hij trekt niet op aan de zijkanten zoals het ribbelpatroon, wat hem ook handig maakt voor kleine lapjes, onderzetters of poches.

Voor beginners is de mossteek een uitstekende volgende stap na het leerbreien, omdat je maar twee soorten steken nodig hebt (recht en averechts) en het patroon zichzelf corrigeert zodra je het ritme te pakken hebt. Gevorderde breiers gebruiken de steek als achtergrondstructuur bij kabels of andere reliëfpatronen.

Heb je het proeflapje klaar? Dan merk je vanzelf hoe strak of los je breidt. Past het te strak of te los bij je project, wissel dan naar een nummer kleinere of grotere naald. Zo stuur je het eindresultaat bij zonder het patroon te veranderen.