Meerderen bij het breien: zo voeg je steken toe (stap voor stap)

Meerderen bij het breien betekent dat je extra steken aan je naald toevoegt, zodat je werk breder wordt. Dat doe je bijvoorbeeld bij mouwen, raglan of elk patroon dat uitloopt. De meest gebruikte en nette manier is het breien van een tussensteek: je pakt de draad tussen twee steken op en breit die gedraaid, zodat er geen gat in je werk ontstaat.

Wat is meerderen precies?

Bij meerderen voeg je een nieuwe steek toe zonder dat er een extra draadballons bij nodig is. Je haalt een bestaand draadje, een lusje of een tussenstand tussen twee steken omhoog en breit dat als nieuwe steek. Het getal steken op je naald neemt zo met één (of meer) toe. Dat is het verschil met opslagen, waarbij je aan het begin of einde van een rij nieuwe steken aanslaat.

Patronen geven de meervermeerdering vaak aan met afkortingen zoals “m1” (make one), “wn” (wol naar voren) of “1st meer”. Elke methode geeft een iets ander resultaat. Voor een strak en gaatloos resultaat is de m1-methode met gedraaide tussensteek de meest gebruikte.

Meerderen breien: de meest gebruikte methode stap voor stap

Dit is de m1-methode, ook wel “steek meerderen via de tussenstand” genoemd. Je breit de draad die tussen twee steken loopt omhoog, gedraaid, zodat er geen gaatje ontstaat.

  • Brei tot de plek waar je wilt meerderen.
  • Steek de linkernaald van voren naar achteren onder de liggerende draad tussen de laatste en de volgende steek. Die draad noem je de tussenstand of “ladder”.
  • Je hebt nu een lus op je linkernaald. Brei die lus via de achterste beenning (gedraaid). Zo draai je de lus en voorkom je een gat.
  • Je hebt nu één steek meer op je naald.

Let op de richting: steek je de linkernaald van achteren naar voren onder de tussenstand, dan breit je hem via de voorste beenning. De uitkomst verschilt iets, maar allebei zijn correct. Kies wat voor jou het netst oogt en doe het consequent door je werk.

Bij raglan en veel andere vormen meer je aan beide kanten van een markeersteek. Dan hoor je bij een “m1L” (make one left) en een “m1R” (make one right). Ze leunen spiegelbeeldig naar elkaar toe, wat een netter resultaat geeft.

  • M1L (links meerderen): steek de linkernaald van voren naar achteren onder de tussenstand en brei via de achterste beenning. De steek leunt naar links.
  • M1R (rechts meerderen): steek de linkernaald van achteren naar voren onder de tussenstand en brei via de voorste beenning. De steek leunt naar rechts.

Als een patroon alleen “m1” schrijft zonder L of R, kies je zelf welke kant je meerdert. Gebruik dan consequent dezelfde methode voor een egaal resultaat.

Andere manieren om te meerderen

Naast de m1-methode zijn er meer manieren om steken toe te voegen. Elke methode heeft een eigen uitstraling.

  • Wol naar voren (wn/yo): je legt de draad over de naald en breit de volgende steek gewoon. Dit geeft bewust een gaatje en gebruik je in kantpatronen of bij kanten verhogingen.
  • KFB (knit front and back): je breit één steek twee keer: eerst via de voorkant, dan via de achterkant van dezelfde lus. Dit geeft een klein dwars streepje als effect, goed zichtbaar op de rechte kant.
  • Lus opzetten (backward loop): je slaat een nieuwe lus om de rechternaald. Simpel, maar de steek zit soms los en onhandig bij de volgende rij.

Veelgemaakte fouten bij het meerderen

De meest voorkomende fout is de tussenstand niet gedraaid breien. Doe je dat niet, dan staat er een gat in je werk. Dat is soms de bedoeling (bij kant), maar niet bij een raglan of mouw. Controleer altijd of de lus op de naald goed gedraaid is voordat je hem afbreit.

Een andere valkuil: je pakt de verkeerde draad op. Neem altijd de draad die recht tussen de twee naburige steken loopt, niet de draad van een steek zelf. Twijfel je? Leg je werk plat neer en zoek de liggerende draad op.

Tot slot: meerder op de plek die het patroon aangeeft, niet ervoor of erna. Eén steek verschil in positie kan het patroon of de lijn van je meerderin laten verspringen, zeker bij raglan met een duidelijke lijn langs de markeersteek.

Meerderen is een kleine handeling met een groot effect. Zodra je de basisgreep (de gedraaide tussensteek) beheerst, kun je elke meervorm in een patroon aan. Oefen het eerst op een proeflapje voordat je het in een echt project toepast. Zo zie je meteen welke kant van de steek jou het netste resultaat geeft.